“Waar gáát het over?” Deze vraag stel ik mijzelf vaker dan mij lief is. Eigenlijk alle keren als ik geconfronteerd wordt met onzin die ik op de televisie, de radio of op nieuwssites tegenkom. Ik verbaas mij met regelmaat waar mensen zich zoal druk over kunnen maken. Ook nu weer. Standaard laait in november de discussie weer op over de kleur van Piet, u weet wel, de knecht van Sinterklaas. Oh, sorry, ik bedoel: de collega van Sinterklaas, ‘knecht’ mag vast ook niet meer. Nog even en de discussie gaat ook over de kleur van Sinterklaas en over het geslacht van de goedheiligman: gaan ze roepen dat het beter is dat de kindervriend voortaan genderneutraal door het leven moet gaan want voordat je het weet komt een gekwetste kleuter met: #metoo/sinterklaas. Want die jurk en die baard, dat kan toch eigenlijk ook niet? Hoe verwarrend kan het zijn voor een kind. Terwijl, als een slim kind van vandaag éven Googelt, het weten kan dat het hele Sinterklaasfeest eigenlijk één grote ‘fake’ is. Goed voor het lekkers en de cadeautjes maar wat mag je als kind nu eigenlijk noggeloven? Alles is door die hele openbare ZP-discussie toch al lang verklapt? En om zeep geholpen? De intocht van Sinterklaas begeleidt door de Mobiele Eenheid. Wat een slechte surprise! Of maak ik mij nu druk om mensen die zich druk maken?

Over druk maken gesproken, heeft u het TV-programma ‘De rijdende rechter’ wel eens gezien? Het is niet te geloven hoe mensen zich druk kunnen maken over een overhangende boomtak, een te hoge of juist te lage schutting, het geluidoverlast van een parkiet of het gluren van de buren. Holland op z’n smalst. Nu begrijp ik wel, het is TV, het is amusement… maar toch. Trouwens, een gemiddeld debat in de Tweede Kamer is niet van een veel hoger niveau als de geshowde burenruzies. En zo gaat er heel wat kostbare tijd verloren aan onzin en onbenul. Vind ik. Maar anderen maken er juist gebruik van door er een verdienmodel uit te boetseren. Die het hedendaagse onbenul op schaamteloze wijze exploiteren en er goud geld mee verdienen. Debilisering en onbenul is van alle tijden maar door alle moderne media is het veel meer zichtbaar geworden. Via de televisie, het internet en de zogenaamde ‘sociale’ media (asociaal komt meer in de buurt) wordt de grootst mogelijke onzin verspreid. TV-formats worden steeds extremer om de kijker nog te kunnen vasthouden met als gevolg dat iedereen alle buitenissigheden als ‘normaal’ gaat vinden. Datingprogramma’s voor verstandelijk gehandicapten, campingbelevenissen van bejaarden, klussen met onhandigen, moeders die heter zijn dan hun dochter en klunzende boeren en bonkige truckers op zoek naar hun droomvrouw. Emmers vol onzin voor onverzadigbare onbenullen. Hét verdienmodel van Hilversum en van iedereen die mee danst op de Gooise matras.

Maar mensen laten zich graag voorstaan op onbenulligheid. Dat zit kennelijk nu eenmaal in onze aard. Vroeger stonden op kermissen en jaarmarkten ook al rijen volk voor de kassa om de vrouw met de baard, een Siamese tweeling, een zeemeermin in een aquarium, een man met een bochel of een Afrikaanse inboorling met een bot door zijn neus, met eigen ogen te kunnen zien. Rariteiten verkoopt. En op zich is daar niets mis mee. Het getuigt van goed ondernemerschap als je weet wat de mensen willen en daar vervolgens een verdienmodel op los laat. Er zijn al heel wat TV-producenten schathemeltjerijk geworden door de groots mogelijke onzin te verkopen aan volksstammen onbenullen in binnen- en buitenland. Er gaan miljarden om in de ‘onzinbusiness’, de belangen van media-exploitanten en de beurswaarde van bedrijven zoals Facebook en Instagram zijn dermate immens groot dat je eigenlijk niet meer spreken kunt van ‘onzin’, dat gaat wel degelijk ergens over. En dat betekent, dat ook onzin goed gemanaged moet worden om het tot een maximum te kunnen exploiteren. Vandaar dat er een relatie is tussen het grote volume onzin in de samenleving en het onevenredig percentage managers en adviseurs ten opzichte van andere beroepsgroepen. Een carrière als manager of consultant valt dus in zekere zin ook onder de noemer van exploitatie van het onbenul. En zijn er weer slimme ondernemers die daar weer van profiteren en zelfs opleidingen en cursussen aanbieden om gediplomeerd manager te kunnen worden. Omdat management geen vak is en zeker geen wetenschap komen de problemen vaak later bovendrijven. Is de manager eenmaal opgeklommen tot vitale posities in de onderneming, waar vakmanschap, ondernemingsgeest en leiderschap wordt gevraagd, dan gaat meestal het licht uit. De oplossing wordt dan vaak gezocht in eindeloos vergaderen en uiteindelijk in het inhuren van… een interim-manager. Dat is een kruising tussen een manager en een consultant, een van de gevaarlijke soort. Pas daar maar voor op.

En dan heb je nog de ‘Homo Politikiens’, de mensensoort die zichzelf heeft geëvolueerd voor een loopbaan (ze lopen wat af…) in de politiek of bij de overheid en die een speciaal gen hebben ontwikkeld dat zich heeft gericht op het organiseren van de samenleving. De goeden niet nagesproken maar er zijn de laatste tijd te veel ‘wannabees’ voorbij gekomen die uitgebreid de aandacht hebben gekregen in de media, gevraagd of ongevraagd. Mannen én vrouwen volksvertegenwoordigers die denken mede het beleid te kunnen bepalen maar wiens gedrag geen goed voorbeeld is voor de samenleving. Beschamend wat wij zoal hebben voorgeschoteld gekregen: openbare dronkenschap van Burgemeesters, handtastelijke kamerleden, hoerenlopende gemeenteraadsleden, fantaserende ministers, kasgraaiende partijleden, overspelige staatssecretarissen en bekvechtende kabinetsleden… Ach, je moet maar zo denken: het zijn net mensen. Maar of zij nu zelf af- of uittreden of zij krijgen hun congé, op wachtgeld zingen ze het allemaal wel een tijdje uit. En de samenleving merkt het verschil niet als ze vertrekken. Er verandert echt niets. Ik chargeer misschien een beetje en ik weet wel, de samenleving kan niet zonder openbaar bestuur en er gaat ook veel goed. Maar er zijn zeker functies die de maatschappij veel geld kosten maar die de samenleving onevenredig veel opleveren. In het commerciële bedrijfsleven zou dat al snel boven zijn komen drijven en er direct uit worden gesneden. Zonder pardon. Daar wordt de rede bepaald door ‘winst uit onderneming’. Gezond, nuchter, gericht op groei en persoonlijke ontwikkeling. Geen onzin of onbenul maar zin en wijsheid. Een verdienmodel gericht op een schone en welvarende toekomst, exploitatie van het gezonde verstand. Zoals wij het doen, dat kan ook. En daar maak ik mij graag wèl druk om.

Erwin Dirkse

CEO DMT Environmental Technology

“Fasten Your Seatbelts”. Wie kent het zinnetje niet. Bijna iedereen heeft wel eens met het vliegtuig gereisd. En anders binnenkort wel. Want vliegen is nog nooit zo goedkoop geweest. Was vliegen ‘vroeger’ slechts voorbestemd aan de zakelijke of gefortuneerde reiziger, tegenwoordig stappen ook minima het vliegtuig in als was het de metro, de tram of de bus. Sterker nog: de trein of bus is in veel gevallen duurder. Onlangs nam een Brit het vliegtuig voor een reisje Newcastle-London met een tussenstop op het Spaanse eiland Menorca omdat dit goedkoper was dan met de trein. Hij vloog voor £ 15,99 van Newcastle naar Menorca, huurde een auto voor £ 7,50, dronk een ‘sex-on-the-beach’ cocktail voor £ 4,00 op een terrasje aan het strand en vloog voor £ 10,99 van Menorca naar Londen. Had hij de trein genomen dan was hij £ 40,00 duurder uit geweest. “Hoe is het mogelijk”, vraagt u zich wellicht af. En ja, dat heb ik mij ook afgevraagd. Het antwoord is niet zo eenvoudig te geven maar snelheid en efficiency spelen hierin de belangrijkste rol. Een vliegtuig vervoert reizigers met een snelheid van 900 kilometer per uur, een trein doet dat met honderd kilometer per uur. Over de afstand Amsterdam-Milaan kunnen met het vliegtuig veel meer personen in dezelfde tijd worden vervoerd dan met de trein. En vliegtuigmaatschappijen verkopen met last-minute prijzen hun laatste stoelen, treinmaatschappijen doen dat niet. Daar komt nog bij: er wordt geen BTW of accijnzen geheven op vliegtickets en kerosine op basis van een verdrag uit 1944(!) omdat het te ingewikkeld zou zijn om te regelen met de verschillende belastingstelsels in de verschillende landen.

Maar goed, even los van de belachelijk lage prijzen maak ik mij meer zorgen over de enorme CO2 uitstoot die het vliegen met zich mee brengt. Goedkoop vliegen betekent automatisch meer vliegbewegingen. Zo las ik dat als de groei van de luchtvaart zich in het huidig tempo doorzet, de uitstoot daarvan op zichzelf genoeg is om de temperatuur op aarde met meer dan twee graden te laten stijgen. Zo worden de klimaatdoelstellingen van Parijs natuurlijk nooit gehaald. Op dit moment is de luchtvaart goed voor minder dan drie procent van de wereldwijde uitstoot van CO2 (in Nederland 7%). In 2050 zal dat met de huidige toename van het luchtverkeer zo’n twintig procent zijn en in 2070 zal het waarschijnlijk gelijk zijn aan wat volgens het klimaatakkoord van Parijs de hele wereld maximaal zou mogen uitstoten. Hierbij is dan al rekening gehouden met lichtere en zuinigere vliegtuigen en met energie welke is opgewekt door zon en wind.

Nu kan er in vijftig jaar nog een hoop veranderen…

Het is wel opmerkelijk dat de luchtvaart buiten ieder klimaatakkoord wordt gehouden. Komt dat misschien door het grote economische belang dat de luchtvaart met zich mee brengt en de daarmee gepaard gaande lobby? Het zal wel… Maar het is best wel lastig uit te leggen. Ik kan dan ook bijna niet vliegen zonder een schuldgevoel. Ook ik maak voor mijn werk regelmatig gebruik van het vliegtuig want voor de lange afstand is er eigenlijk geen alternatief. Voor de kortere afstand, binnen Europa, is de trein een veel beter en schoner vervoersmiddel. Alleen zullen zij dan voor een concurrerende prijs moeten gaan rijden willen wij passagiers uit het vliegtuig halen. Want voor de meeste mensen geldt: “De principes zitten in de portemonnee”. Ja, een beter milieu wil een ieder wel maar ze willen er niet voor betalen. Ook vanuit de politiek is onlangs geroepen: “De Koning moet vaker met de trein in plaats van vliegen”. Want? Hij moet het goede voorbeeld geven of… hij kan het wèl betalen misschien?

Ik vind de toename van het aantal vluchten wel een zorgelijke ontwikkeling. In mijn vorige blog schreef ik over mijn vakantie in Amerika waar ik een fantastische tijd heb doorgebracht met mijn gezin. En ja, ik ben er niet naar toe geroeid. Maar dan sta ik op die grote internationale luchthavens en dan verbaas ik mij over de enorm grote hoeveelheid mensen, het onnoemelijk aantal vluchten, bestemmingen en vliegtuigen en denk: op zoveel andere luchthavens in de wereld hetzelfde beeld: het ‘vliegt de pan uit’. Het schuldgevoel mag dan ruimschoots gecompenseerd zijn door de ‘quality time’ met mijn gezin en het bezoek aan een goede vriend die al 27 jaar in Amerika woont – échte museummomenten uit mijn Big 5 for life lijst – maar toch blijft het bij mij knagen: hoe lang kan dit nog zo blijven doorgaan?

Er zijn positieve ontwikkelingen ook al is de vliegtuigindustrie nog lang niet zo ver met ‘vergroenen’ als de autoindustrie en andere sectoren. Maar de eerste biokerosine fabriek in Noordwest-Europa staat er aan te komen en waarschijnlijk wordt die in Nederland gebouwd. Wij worden daar als DMT natuurlijk heel blij van maar er moet veel meer gebeuren. De technische ontwikkeling van vliegtuigen en vliegtuigmotoren moet ook een incentive krijgen door allerlei steunmaatregelen vanuit de overheid. En mogen (moeten!) gebruikers mee betalen om aan de kosten van CO2 reductie bij te dragen, onder het motto: de vervuiler betaald. Overigens is de CO2 uitstoot in Nederland gedaald, van

166 miljard kilogram in 2016 naar 163 miljard in 2017, een mager verschil van 3 miljard. Goed nieuws? Het is maar hoe je het bekijkt. Het is even hoog als in 1990 dus in 27 jaar zijn wij er per saldo niets mee opgeschoten. En de verontrustende berichten stapelen zich maar op. Volgens een recent uitgelekt rapport van de Verenigde Naties (zo warm is het dus) gaat de opwarming van de aarde sneller dan tot nu is aangenomen. En vogelaars zien dat de brandganzen sneller wegtrekken en dijkgraven zien de zeespiegel sneller stijgen en klimatologen kunnen de weerrecords bijna niet meer bijhouden.

Wat ik zie – ironisch, door het raampje van het vliegtuig – is die mooie aardbol met rivieren, zeeën, meren, bergen, bossen, vlakten, wegen, dorpen en steden en waarvan je weet dat het er krioelt van het leven, mensen en dieren. Ja, er zijn bedreigingen maar ik geloof dat er meer kansen zijn. De gevolgen van ons handelen dwingt de mens tot nadenken en zo komen er ook weer oplossingen. Techniek en wetenschap ontwikkelen zich exponentieel en zo blijf ik vol vertrouwen geloven in een schone en welvarende toekomst. In een paar jaar kan er zoveel veranderen. Daarom ben ik ook niet zo van de cijfers en de statistieken en denk ik net als Godfried Bomans die eens schreef: “Een statisticus waadde vol vertrouwen door een rivier die gemiddeld één meter diep was. Hij verdronk”.

Erwin Dirkse – CEO DMT Environmental Technology

 

DMT doet mee aan de Duurzame Innovatie Challenge Fryslan 2018. Een ontzettend leuk initiatief waarbij iedereen zich mag en kan inschrijven en mee kan te doen aan een challenge die bijgedraagt aan een duurzame wereld.

De bedoeling van deze challenge is dat mensen worden geïnspireerd door experts en ondernemers en dat er op die manier wordt bijgedragen aan een duurzame wereld. Er zijn in totaal zo’n 20 challenges. Het programma bestaat uit een bootcampdag en een slot-event waarop de winnaars van elke challenge gaan pitchen. Meer informatie kun je vinden op de website van Duurzame Innovatie Challenge Fryslan https://duurzame-innovatie-challenge.frl/ 

 

Alles is donker om mij heen. Ik zit superstrak met schouderbeugels vastgeklemd en kan geen kant op. Of toch? Ineens gaat het los… Met een duizelingwekkende snelheid (dat voel ik maar dat zie ik niet) rol ik door de ruimte. Ga ik naar beneden of omhoog? Binnen een paar seconden staat de wereld op zijn kop. Ik ben volledig overgeleverd aan de natuurwetten en meer dan eens maakt de ‘air-time’ mij gewichtsloos. De adrenaline spuit mij uit de oren. Het is alsof ik in een roller coaster zit… sterker nog: ik zit in de ‘Space Mountain’, één van de populairste topattracties van Disney’s Magic Kingdom in Orlando, USA. Als ik er uitkom en na een kwartiertje uitgeduizeld ben vraag ik mij af hoe ik hier ook al weer in terecht ben gekomen. En dat zal u misschien ook wel willen weten… waarom laat een serieuze ondernemer en CEO van een gerespecteerd bedrijf als DMT zich in het pikkedonker in een klein karretje met dwingende g-krachten alle kanten op sturen? Tja… dat is een heel verhaal.

Het begint er mee dat ik nog een schuld had in te lossen bij mijn, inmiddels volwassen, kinderen. Ooit had ik ze beloofd met hen naar Euro Disney Parijs te gaan maar dat is er nooit van gekomen. Ik gebruikte destijds het excuus: “Papa is te druk”. De werkelijke reden was anders. Ik had er helemaal geen trek in om naar zo’n pretpark te gaan en dan als vee in de rij minstens een uur achter de staart van een ander aan te moeten kringelen totdat je eindelijk in de attractie wordt toegelaten en je na een paar minuten ‘lol’ weer wordt losgelaten. “Niets voor mij”, dacht ik. De andere reden: ik was nu met mijn gezin op vakantie in Amerika en wil je het land écht leren kennen dan kun je (letterlijk) niet om de pretparken heen. Dus Orlando hoor je ook ‘te doen’ en ach… ‘what the hell’, het is toch vakantie?

Wij stallen onze huurSUV op één van de 15.000 (!) parkeerplekken. Dat alleen al is een attractie, alles is tot in de perfectie geregeld. Honderden mensen komen van alle kanten toestromen maar even soepel en snel zijn ze binnen. Eenmaal door de veiligheidspoortjes en na de tassencontrole (alsof je gaat vliegen) sta ik wat vreemd om mij heen te kijken. Ik ben beland in een droomwereld maar het is realiteit: ‘The American Dream in Optima Forma’. Aan alles is gedacht en vooraf onderzocht. Psychologen, gedragswetenschappers, veiligheidsspecialisten – ‘you name it’ – zijn er allemaal aan te pas gekomen om de mensenmassa zo snel maar zo prettig en veilig mogelijk de attracties in te loodsen. De lange wachtrij en het kringelen, wat ik zo vreesde, valt erg mee. De bordjes die de wachtminuten aan geven – ’70 minutes’ – zijn zo geplaatst dat het in werkelijkheid ‘slechts’ vijftig minuten zijn. En tijdens het kringelen worden wij professioneel vermaakt en afgeleid door ‘visual effects’ en ‘surprises’. En ja… de attracties. Allemaal meer dan de moeite van het wachten waard, ‘amazing’, dat kan alleen maar in Amerika. De themaparken in Orlando zijn bijna niet te tellen. Een miljardenindustrie waarbij amusement tot in de perfectie is omgezet in business. En, zoals veel in Amerika, alles is groot, of groter en op z’n grootst. Of het nu een achtbaan is of een hamburger, een beker cola of een parkeergarage, ‘It’s all BIG’.

Zoals ik mijn vooroordeel over pretparken moest bijstellen heb ik eigenlijk mijn hele beeld over ‘the USA’ moeten aanpassen. Ik hoefde er ‘vroeger’ écht niet naar toe: die poppenkast, die betweters, dat geschreeuw, die zelfverheerlijking en het overdadig consumptiegedrag, ik heb er niets mee. Totdat DMT in 2015 een eigen vestiging in Portland, Oregon opende was ik nog niet in Amerika geweest. Inmiddels heb ik meerdere bezoeken aan de ‘grootste economie ter wereld’ gebracht, zowel zakelijk als privé, en het land is toch anders dan ik dacht en inspireert mij als ondernemer enorm. Ik reed achter een auto met een bumpersticker: “Don’t dream your life but live your dreams”. Dat zegt alles over de Amerikaanse mentaliteit. En de voorbeelden zijn te over. In New York wil ik een taxi. Op de Uber-app vul ik in: 4 passagiers, 4 koffers, waar ik sta, waar ik naar toe wil en ik krijg vrijwel direct een reactie: je hebt keuze uit Jack of John (‘read the reviews’) met een SUV of een sedan en ze zijn in zes minuten bij mij. Heb ik zin in eten? Dan open ik Uber Eats en heb ik keuze uit een wereldmenu dat in korte tijd bij mij wordt bezorgt. Veel succesvolle ‘techreuzen’ zijn als start-up in Silicon Valley begonnen. Het is dé plek waar de talentvolle ‘nerds’ en creatievellingen uit vele landen van de wereld elkaar inspireren tot geniale ideeën en die dankzij durfkapitaal van beleggers en ondernemers deze succesvol ten uitvoer kunnen brengen. Ik stond op Time Square in New York en keek omhoog naar de meer dan indrukwekkende lichtreclames en wolkenkrabbers en voelde mij als in een filmdecor en had de gedachte: ”Hier is ‘the sky’ werkelijk ‘the limit’. Maar je moet het in Amerika wel zélf doen.

En Amerika is meer. De verscheidenheid van landschappen, de oneindige horizon, de natuur. Groot en veel. Maar de Amerikanen lijken zich niet zo druk te maken over het milieu. Ze leven hier nog volop in een lineaire economie. De benzineprijs is laag en de auto’s niet zuinig in gebruik. Je struikelt over de achtcilinders. Er rijden daar minder Tesla’s rond dan in Europa. Uitzondering is de staat Californië, die lijkt zich meer bewust van de realiteit en de noodzaak voor verandering en de keus voor duurzaamheid. Daar ligt onder andere ook een grote markt voor ons voor bio-methaan installaties. En dat is ook weer Amerika, áls zij dan een installatie kopen dan ook gelijk een die vijf keer zo groot is. Het is een land van uitersten. In de op zeeniveau gelegen eilandengroep Florida Key’s, waar in 2017 de orkaan Irma bijna alles weg vaagde, is veel alweer opgebouwd. Ik zie informatieborden die waarschuwen voor mogelijke natuurrampen: ‘WARNING for Tsunami’ of ‘WARNING Hurricane Season’ en als die komen moet je gewoon maken dat je weg komt. Preventief dijken bouwen, een Delta-plan? Nee, dat doen wij Nederlanders maar niet de Amerikanen. ‘Shit Happens’ en dan zien ze wel weer. Een hele andere mentaliteit.

Maar de belofte naar mijn kinderen ben ik nagekomen en in mijn koffer heb ik een flinke dosis reflectie en inspiratie meegenomen. Ik kan het wel gebruiken voor ons werk aan een schone en welvarende toekomst. Want, zoals Walt Disney al zei: “Times and conditions change so rapidly that we must keep our aim constantly focused on the future”.

Erwin Dirkse – CEO DMT Environmental Technology

DMT is een serieuze speler op de markt voor duurzame energie en milieutechniek. We zijn gespecialiseerd in het ontwikkelen, vermarkten en bouwen van cleantech zoals biogas opwaardeerinstallaties. Het is onze passie om met ‘slimme’ technische installaties een maximaal rendement voor onze klanten te realiseren en daarmee de groene economie vorm te geven. Technologie waar wij momenteel aan werken is pressure swing en temperature swing adsorption (PSA/TSA). Met deze technieken streven wij ernaar om de prijs van opwaarderingstechnologie en operationele kosten verder te verlagen, alsmede de methaan emissies te reduceren. De eigenschappen van de adsorbenten in deze techniek zijn van groot belang voor de kwaliteit van het opgewaardeerde biogas en de vormgeving van het systeem. Daarom werken wij samen met de Rijksuniversiteit Groningen en het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) om innovatieve adsorbenten te ontwikkelen voor de selectieve absorptie van CO2 uit biogas.

Er was eens… een tijd dat De Republiek Der Verenigde Nederlanden het machtigste rijk ter wereld was. Dat kleine kikkerlandje, dat uit de soevereine staten Groningen, Friesland, Overijssel, Gelderland, Utrecht, Holland, Zeeland, Drente (en voor de rest uit water) bestond, speelde de hoofdrol op het wereldtoneel. Dat was voornamelijk te danken aan een particuliere Nederlandse handelsonderneming, genaamd: De Vereenigde Oostindische Compagnie, destijds het grootste handelsbedrijf ter wereld en de eerste naamloze vennootschap met vrij verhandelbare aandelen. In bijna tweehonderd jaar (1602-1800) heeft dit bedrijf, dat in meerdere landen vestigingen had, enorm bijgedragen aan de economische groei en welvaart van Nederland. In haar glorietijd had de VOC 25.000 werknemers in Azië in dienst en 3.000 personeelsleden in Nederland. Amsterdam dankt haar rijke geschiedenis en fraaie koopmanshuizen aan de VOC. Met de verovering van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden door Frankrijk kwam aan die hegemonie een einde. Maar de naam van ‘De Hollander’ als slimme ondernemer en handige handelaar was gevestigd. Onze huidige positie als natie is ontleent aan de basis van die tijd. Zonder de ondernemingsgeest en visie van een aantal kooplieden waren wij nu niet waar wij nu zijn.

Daar moeten wij het van hebben. Ondernemers die hun nek durven uit te steken en die zorgen voor groei: in omzet, in winst en in werkgelegenheid. Die er voor zorgen dat Nederland economisch draait, én goed draait en blijft draaien. En dat is moeilijk genoeg. In tijden van hoogconjunctuur zie je vaak dat de groei stabiliseert en consolideert en dat men wegzakt in zelfgenoegzaamheid: ‘het is wel goed zo’. De prikkel is er niet meer, blijf zitten waar je zit en verroer je niet. Het Romeinse rijk is uiteindelijk aan decadentie ten onder gegaan, het ging te goed. Ook andere culturen zoals het Griekse, het Egyptische, het Maya en het Inca Rijk zijn na het hoogtepunt uiteengevallen. Niet dat ik bang ben dat Nederland aan het afglijden is maar wij moeten wel oppassen en waakzaam blijven. Grote Nederlandse ondernemingen zijn al in buitenlandse handen en wij zetten straks onze grootste melkkoe, de aardgaswinning, ook nog op stal. Maar misschien klopt deze tegelwijsheid wel: ‘het moet eerst slechter gaan wil het beter worden’.

In economieën waar het goed gaat blijven de meeste mensen graag in loondienst werken. Niets mis mee want dat is vaak het kapitaal van de onderneming en goede medewerkers wil men niet graag kwijt. Ik ook niet. Maar gaat het slecht met de onderneming en vallen er gedwongen ontslagen dan zie je ook dat er onverwacht ondernemers komen bovendrijven. Die gaan niet bij de pakken neerzitten maar nemen eigen initiatief. En durven risico te nemen en verkopen zelfs hun huis om aan startkapitaal te komen voor het uitvoeren van hun idee. Dat zijn de ondernemers die wij zoeken. Helaas zijn die op dit moment schaars en moeilijk te vinden. Het gaat hier te goed. Je komt ze wel tegen in de zogenaamde BRIC-landen: Brazilië, Rusland, India en China. Landen waar de prikkel om het beter te krijgen dan je ouders dermate groot is dat er vele ondernemers zijn opgestaan en bedrijven hebben opgericht en inmiddels een belangrijke bijdrage leveren aan de groei van de economie. Als Afrika zijn infrastructuur op orde krijgt zal dat op termijn een van de grootste economieën ter wereld kunnen worden.

Ik was onlangs gevraagd om tijdens de WaterCampus Business Challenge in Leeuwarden een college te geven over ondernemerschap. Ik had mijn verhaal de titel: ‘The challenge of a proposition’ meegegeven. Mijn gehoor bestond uit een bont, internationaal gezelschap, van studenten tot 50-plussers, mannen én vrouwen en allemaal ‘ondernemers-in-de-dop’. Zij moesten in een week tijd via stoomcursussen een ondernemersplan in elkaar draaien op basis van hun idee, product of dienst. Maar toen ik mijn gehoor vroeg of er iemand was die wist wat het begrip ‘marketing’ inhield bleef het akelig lang stil. Uiteindelijk stak een Zweedse jongen voorzichtig een vinger op en zei dat hij er wel eens van had gehoord. En ik wist gelijk dat het een moeilijke ochtend zou worden. Daar lopen veel ideeën en plannen mank. Vooral bij techneuten. Die hebben vaak geen gevoel bij de markt, geen idee bij de behoefte van de klant en al helemaal niet hoe het naar buiten toe te brengen. Die kunnen jarenlang aan een idee werken zonder zich af te hebben gevraagd of er eigenlijk wel iemand is die daar op zit te wachten. Die kunnen zich niet verplaatsen in de klant. Hoe luidt de propositie naar de markt? Wat is het verdienmodel? Aan het eind van de week mochten de deelnemers hun plan in een ‘pitch’ presenteren. Tja… wat moet ik daar nou van zeggen, behalve dat ik was teleurgesteld en eigenlijk de meeste deelnemers het beste advies wou geven wat ik hun kon geven: ‘begin er niet aan, ga maar uit die dop’.

Ondernemen kun je niet leren, je kan er wel aanleg voor hebben en in een goede omgeving kan het verder ontwikkeld worden. Daarom zouden techneuten met een goed idee een multifunctioneel team moeten samenstellen waarin zij hun tekortkomingen door anderen laten aanvullen, met name op het gebied van commercie en marketing. Te vaak gebeurt het dat ‘het kind met het badwater wordt weggegooid’, dat er goede ideeën niet tot ontwikkeling kunnen komen omdat éénpitters er in verzanden of niet ‘het gouden idee’ of de kennis of het patent willen delen met anderen. Er zou een platform moeten komen waar (eigenwijze) techneuten en (slimme) ondernemers samen komen om ideeën, kennis, plannen en ambitie met elkaar te delen. Dit onder het motto: ‘If you can’t beat them join them”.

Wij hebben het binnen DMT ook meegemaakt dat wij als bedrijf in onze ontwikkeling stil bleven staan. Door het aangaan van samenwerkingsverbanden, allianties, overnames, participaties met kennisinstituten en door kennis en techniek te delen hebben wij onszelf weer los getrokken en is de trein weer gaan rijden.  Belangrijk is wel dat je weet wat het reisplan is en waar de trein naar toe moet rijden. Dat is simpel, de treinen van ondernemers hebben allemaal dezelfde bestemming: het vervullen van een behoefte van de klant, de ‘pain and the gain’. Dat hadden die handelsmannen van de VOC al vroeg voorzien. Ze brachten zout, specerijen, thee, koffie, porselein en andere goederen mee waarvan ze wisten dat de klant daar behoefte aan had nog voordat die daar zelf bewust van was en de meeste producten zelfs niet eens kenden. Marketing à la VOC in de Gouden Eeuw. Wij kunnen er nog altijd een voorbeeld aan nemen. Dus blijven wij ondernemen om in de behoefte te voorzien van een schone en welvarende toekomst.

Erwin Dirkse – CEO DMT Environmental Technology