LINGVO POR ĈIUJ NI

Een tijdje terug zat ik in het vliegtuig wat te mijmeren over wat ik net had meegemaakt op de beurs in München. Wij waren daar met DMT vertegenwoordigd met een stand op de IFAT, de internationaal leidende vakbeurs voor (riool)water, afval en recycling. Er waren vele bedrijven (3.000) én bezoekers (140.000) van over de hele wereld aanwezig. En ik heb mij weer verbaasd over de tamelijk gebrekkige wijze van communiceren onderling. Wat zitten veel mensen toch te ‘klooien’ met en in vreemde talen. Wij Nederlanders kunnen ons over het algemeen redelijk verstaanbaar maken, vooral mijn generatie, vaak in meerdere talen. Dat is historisch zo gegroeid. Als klein landje met weinig natuurlijke grondstoffen moesten wij voor de groei van onze economie ons wel op de internationale handel richten. Op de middelbare school hadden wij naast Nederlands als basis ook Engels, Duits en Frans. Later kwam er nog Spaans bij, als keuzevak. Nu is dat geen regel meer en ik merk dat met name jongeren een achterstand oplopen in hun talenkennis. Ja, de meesten spreken wel redelijk Engels maar daar kom je niet altijd even ver mee. Duitsers en Fransen beheersen het Engels over het algemeen minder goed dus wil je goede zaken doen met een Duitser of een Fransman dan kun je maar beter hun taal verstaan, én spreken. In het onderwijs is de tweede vreemde taal zo goed als weggevallen. Sterker nog: op veel hogescholen en universiteiten wordt bijna alleen nog maar in de Engelse taal gedoceerd ‘want dat zou goed zijn voor de taalontwikkeling’. Probleem is echter: het niveau van het Engels van de docenten is over het algemeen ‘als steenkolen’ en ja, dan leer je het als student nog verkeerd ook. En het is een bedreiging voor het niveau van onze Nederlandse taal. Als ik zie hoeveel fouten er in sollicitatiebrieven en CV’s worden gemaakt, het is soms bedroevend. En hoe onze taal op sociale media wordt gebruikt helpt ook al niet mee. Ik vind het dan ook heel jammer dat het met Esperanto, de in 1887 ontwikkelde kunsttaal, uiteindelijk niets is geworden. Deze internationaal gemakkelijk te leren taal had alle landen van de wereld kunnen verbinden: sociaal, economisch en politiek. “Lingvo por ĉiuj ni. Éen taal voor ons allemaal.” Ik pleit er dan ook voor dat binnen de Europese Unie – maar beter nog: wereldwijd – afspraken worden gemaakt over het voeren van één hoofdtaal, naast de eigen taal. Voor het gemak zou dat nu Engels kunnen zijn, het meest ingevoerd, maar ook Spaans zou een keuze kunnen zijn. Dan zouden wij ook eens in een internationaal gezelschap gezamenlijk kunnen lachen om een mop: “I beg your pardon”? “Yes, paarden.”

Nu wij het toch over onderwijs hebben, er wordt wel gezegd dat het niveau van de gemiddelde Nederlandse student niet zo hoog ligt. Maar onderzoeken en cijfers spreken dat tegen. Nederland bezet liefst de 9e plaats op een lijst van 76 landen betreffende het niveau van de studenten, met name getest op de exacte vakken natuur- en wiskunde. De hoogste scores zijn gemeten in Aziatische landen die ook de top 5 vormen, gevolgd door Finland, Estonia, Zwitserland en Nederland. En dat terwijl Engeland (20e) en Amerika (28e) in de perceptie van veel mensen heel hoog aangeschreven staan. Maar ik kan wel beamen dat het niveau van Nederlandse studenten vrij hoog is. Wij hebben in de loop der jaren veel internationale studenten en stagiaires binnen DMT gehuisvest. Bij ons kunnen zij onderzoek doen en hun masteropleiding afronden. Zij komen van universiteiten en hogescholen uit Portugal, Frankrijk, Venezuela, Duitsland, Griekenland, Oostenrijk, Noord-Ierland, Spanje, Bolivia, USA en natuurlijk uit ons eigen land: Delft, Wageningen, Groningen, Den Bosch, Zwolle, Enschede, Nijmegen/Arnhem en Leeuwarden. Nu kan ik niets écht vergelijken want wij hebben geen representatief onderzoek gedaan. Bovendien hebben wij uit het buitenland ongetwijfeld het ‘crème de la crème’ aan studenten want als je helemaal naar Joure durft te komen dan ben je per definitie ambitieus en avontuurlijk ingesteld. Maar… ik kan wel stellen dat de universiteiten en hogescholen in Nederland een goed niveau studenten levert. En daar komt nog bij: de Nederlandse student combineert theoretische kennis vaak met een praktische aanpak in tegenstelling tot veel buitenlandse studenten die zó theoretisch zijn dat het wel eens lijkt alsof zij van een andere planeet komen. Er is soms geen normaal gesprek mee te voeren. Maar ik moet ook eerlijk zeggen: hun kennis gaat die van mij vaak te boven. Ik moet vooral kijken naar wat wij er mee kunnen, hoe wij het gaan toepassen en hoe wij daar een verdienmodel van kunnen maken.

Wij krijgen steeds betere studenten die bij DMT komen voor een promotieonderzoek. Het is gelukkig niet meer zo dat de toppers van de TU Delft rechtsreeks via de rode loper bij Shell binnenwandelen. Want velen gaan niet alleen maar voor geld en carrière. Ze willen ook goed bezig zijn en hun kennis duurzaam inzetten. En, waar ik ook blij mee ben: wij zien steeds meer vrouwen onze technische mannenwereld binnenstappen. Dat mag ik graag zien. Vrouwen binnen een mannenbolwerk tonen een extra bewijsdrang en zijn heel serieus met hun werk bezig. Net als buitenlandse studenten en werknemers die veel ambitie laten zien. Die veel hebben achtergelaten en opgegeven om hier te mogen studeren of werken en die dus zeer gedreven zijn om te willen slagen. Dat is ook de toekomst: bedrijven met ondernemende medewerkers, gender- en nationaliteitneutraal. Waarbij alleen de output telt. En er is ruimte voor in ons onderwijssysteem en er is in bepaalde sectoren ook een grote behoefte aan jonge mensen. Bijvoorbeeld, in de waterbedrijven is een enorme leegloop aan de gang, het lekt daar op grote schaal grijze werknemers. Over vijf jaar is daar een groot probleem wegens gebrek aan goede technisch geschoolde mensen. Laat de ‘engineers’ maar komen, ook uit andere landen. Wij leiden ze wel op en kunnen de talenten hier proberen te houden. En anders gaan ze terug naar eigen land en brengen de verkregen kennis daar in de praktijk. Ook goed. Dan komt het via een omweg wel bij ons terug. Er moet blijvend geïnvesteerd worden in onderwijs, dat levert goed opgeleide en gemotiveerde werknemers op. Daar moeten wij het tenslotte van hebben. Dat is het kapitaal van de onderneming. Daarom hebben wij nu bij DMT ook HR-managers die de juiste mensen zoeken voor de juiste job en kiezen wij niet meer de beste van de vijf sollicitanten. Net als bij een sport als voetbal ben je het meest succesvol als het team goed is samengesteld en ook samenwerkt als een team waarbij het individueel belang ondergeschikt is. Zo werken wij ook. Ook met als risico dat ik op een dag het veld moet ruimen als ‘de coach’ onderpresteert. Alleen met goed geschoolde en gemotiveerde medewerkers kunnen wij blijven werken aan een schone en welvarende toekomst. Die taal, verstaan wij allemaal.

 

Erwin Dirkse – CEO DMT Environmental Technology